Rabiës

Rabiës, in de volksmond ook wel ‘hondsdolheid’ genoemd, behoort tot de meest levensgevaarlijke en besmettelijke ziekten op aarde. Hoewel ‘hondsdolheid’ anders doet vermoeden, komt rabiës niet alleen bij de hond voor. Het kan gezien worden bij zoogdieren, voornamelijk carnivoren, onder andere bij de hond, kat, vos en vleermuis vallen. Ook de mens kan geïnfecteerd worden met het rabiësvirus na een beet van een besmet dier. Rabiës is uiterst gevaarlijk voor mensen en, wanneer er niet op een adequate manier gehandeld wordt, leidt een infectie tot de dood.

Rabies

Rabiës is de dodelijkste en besmettelijkste ziekte op aarde!

 

Rabiës is een aangifte- en bestrijdingsplichtige ziekte. Als u bij dieren symptomen ziet die op rabiës kunnen wijzen, bijvoorbeeld een dier dat plotseling agressiviteit vertoont of indien een vleermuis een persoon heeft gebeten, dan moet u dit direct melden bij de NVWA. Een goede preventie tegen rabiës is dan ook van levensbelang voor dier en mens! Hoe meer honden – en andere dieren – beschermd worden tegen dit dodelijke virus, hoe minder de ziekte om zich heen kan grijpen. Met dit doel voor ogen wordt de Run4Rabiës georganiseerd.

Loop nu mee in de strijd tegen rabiës!

Rabies

 

Het virus 

Rabiës wordt veroorzaakt door een virus van het genus Lyssavirus, in de familie Rhabdoviridae en de orde Mononegavirales. Het is een RNA-virus met een enkelstrengs genoom bestaande uit vijf genen, verpakt in een envelop. Wanneer het virus zich in een zenuwcel of spiercel bevindt, vermenigvuldigt het zich en komt het RNA vrij in de cel. Het RNA wordt omgezet (via translatie) tot eiwitten. De eiwitten, het nieuw gevormde virale RNA en het membraan van de gastheercel vormen nieuwe virusdeeltjes, die zich vervolgens in het lichaam verspreiden. Het rabiësvirus is neurotroop: dat betekent dat het virus vanaf de plaats waar het het lichaam is binnengedrongen, langs de zenuwbanen naar het centrale zenuwstelsel verspreidt en vervolgens ook andere organen infecteert.

De speekselklieren bij zoogdieren bevatten hoge concentraties van het virus, waardoor het virus zich tussen dieren – en mensen – via het speeksel en/of een bijtwond gemakkelijk kan verspreiden. Daarnaast kan het virus zich verspreiden via bloed-bloedcontact of via het verkrijgen van een geïnfecteerd donororgaan. Er is na de besmetting een incubatietijd waarvan de lengte vooral afhangt van de plaats waar men gebeten wordt: hoe verder van de hersenen, hoe langer de incubatietijd. In deze tijd reist het virus langs de zenuwbanen omhoog naar het centraal zenuwstelsel. De incubatietijd kan van 2 weken tot vele maanden of zelfs jaren bedragen.
Deze incubatietijd kan worden benut om het slachtoffer alsnog te beschermen door passieve en actieve immunisatie: er worden antilichamen en een rabiësvaccin toegediend in een aantal sessies. Hiermee lukt het vrijwel altijd om het uitbreken van de ziekte te voorkomen.

In Nederland is in 2007 en 2013 een geval van menselijke hondsdolheid vastgesteld. Wereldwijd leidt infectie met het rabiësvirus tot 40.000-70.000 doden per jaar, voornamelijk in Azië (vooral in India, Vietnam en Thailand) en Afrika. Circa 10.000.000 mensen moeten per jaar wereldwijd profylactisch behandeld worden na een beet door een (potentieel) geïnfecteerd dier.

Het virus overleeft in verschillende dierlijke reservoirs. Het is aanwezig in de dierpopulatie van vrijwel elk land in de wereld, behalve Australië en Nieuw-Zeeland. Echter, in Australië is een verwant virus, het Australian bat lyssavirus (ABLV), aanwezig in de inheemse populatie vleermuizen. In sommige landen, waaronder West-Europese landen, zou rabiës alleen heersen in de vleermuispopulaties. In Azië, delen van Amerika en Afrika zijn honden wel de voornaamste gastheer van het virus, maar het virus komt daar ook voor in vleermuizen, wasberen, stinkdieren en vossen. Echter is verplichte vaccinatie van de dieren in landelijke gebieden minder effectief; in ontwikkelingslanden wordt vaak niet gevaccineerd en mogen de dieren veelal niet (preventief) worden afgemaakt. Orale vaccinaties kunnen veilig via aas worden verspreid, wat wel wordt gedaan in landelijke gebieden van Canada, Frankrijk en Amerika. Speciale vaccinatiecampagnes kunnen vrij duur zijn, maar deze kosten wegen wel op tegen de baten van het in de hand houden van deze levensgevaarlijke ziekte.

Rabiës wereldwijd

Symptomen

Rabiës kan voorkomen bij vele zoogdieren, waaronder honden, katten, vossen, wasberen, koeien, paarden en vleermuizen. In Nederland komt het rabiësvirus (en een aan rabiës verwant virus) alleen voor bij sommige soorten vleermuizen. De met het rabiësvirus geïnfecteerde dieren zijn niet altijd goed te herkennen. Ze kunnen het virus bij zich dragen, zonder dat ze er verschijnselen van vertonen. Verdacht zijn dieren die onrustig en agressief zijn, of wilde dieren die ineens handtam zijn geworden, zoals een vleermuis die zich laat vangen.

Hond met rabiësHet virus bevindt zich voornamelijk in het speeksel van besmette dieren en kan worden overgedragen via bijten, krabben of likken. Via de zenuwen bereikt het virus de hersenen, waar het zorgt voor de kenmerkende gedragsveranderingen. Honden en katten reageren meestal plotseling of zonder enige aanleiding agressief, koeien en schapen zullen zich afzonderen van de kudde. Dieren die normaal wild en schuw zijn, zoals vossen en vleermuizen, kunnen handtam lijken en zich door de mens laten benaderen of zelfs vangen.

Op basis van de klinische verschijnselen kan rabiës in twee typen ingedeeld worden: rabiës furiosa en rabiës paralytica. Bij de eerste vorm zijn de dieren rusteloos, agressief, vijandig en bijterig. Ze hebben een verhoogde speekselproductie, kunnen seksueel opgewonden raken, vocaliseren luid, waarna ze verlamd raken en zullen sterven. Symptomen van rabiës paralytica zijn het doorzakken en zwaaien van de achterbenen/staart, waarbij de staart naar één zijde getrokken kan worden en de anus verlamd raakt. De dieren zijn schuw, kwijlen meer dan normaal en weigeren het eten van voedsel. Uiteindelijk raken ze verlamd, vallen om en zullen sterven.

Rabiës bij de mens
Mens met rabiësAfhankelijk van waar in het lichaam het virus is binnengetreden, uiten de ziekteverschijnselen zich na enkele dagen tot maanden of zelfs jaren later. Net als bij dieren kan hondsdolheid bij de mens zich uiten in een ‘furieuze vorm’ (rabiës furiosa), met krampen en overactief zijn, of in een ‘paralytische vorm’ (rabiës paralytica), waarbij een verergerende verlamming optreedt. In het begin van de ziekte treden weinig specifieke symptomen op zoals koorts, verminderde eetlust, misselijkheid, braken en hoofdpijn. Pas op een later moment treden de zenuwverschijnselen op, als krampen of verlammingen, nekstijfheid, hyperactiviteit en stuiptrekkingen. De patiënt kan overgevoelig raken voor licht en geluiden. Bij ongeveer de helft van de mensen treden spasmen op van de slikspieren en halsspieren, wanneer water of speeksel weggeslikt moet worden. Er ontwikkelt zich een angst voor water. Samen met een verhoogde speekselvloed leidt dat tot schuimvorming op de mond. In een verder stadium treedt coma op, leidend tot de dood door ademhalingsstilstand en hartproblemen.

Behandeling

Wanneer de behandeling op een adequate manier wordt toegepast, is deze zeer succesvol in het voorkomen van de ziekte. De behandeling heeft als doel om te voorkomen dat het virus het zenuwstelsel bereikt. Het direct grondig wassen van de wond met zeep en water gedurende 5 minuten is zeer effectief in het verminderen van het aantal virusdeeltjes. Hierna moeten virucidale antiseptica (stoffen die virussen doden), zoals povidone-iodine, iodine tinctuur, jodineoplossing of alcohol/ethanol, worden toegediend op de wond. Slijmvliezen (oog, mond, neus) dienen grondig gespoeld te worden met water.

De behandeling wordt gevolgd met het toedienen van antistoffen (passieve immunisatie) en een vaccin (actieve immunisatie). Deze bestaat uit een serie vaccinaties, waarbij de eerste zo snel als mogelijk na blootstelling aan het virus dient te worden toegediend. De daarop volgende vaccinaties worden gegeven op dag 3, 7, 14 en 30 na de eerste vaccinatie. Indien je al gevaccineerd was, bestaat de behandeling na een beet van een potentieel geïnfecteerd dier uit het zo snel mogelijk (binnen 7 dagen) toedienen van het rabiësvaccin met een herhaling na 3 dagen. Het vaccin dat in Nederland wordt gebruikt is een geïnactiveerd (dood) rabiësvirus en wordt in de armspier toegediend.