Rabiës wordt veroorzaakt door een virus van het genus Lyssavirus, in de familie Rhabdoviridae en de orde Mononegavirales. Het is een RNA-virus met een enkelstrengs genoom bestaande uit vijf genen, verpakt in een envelop. Wanneer het virus zich in een zenuwcel of spiercel bevindt, vermenigvuldigt het zich en komt het RNA vrij in de cel. Het RNA wordt omgezet (via translatie) tot eiwitten. De eiwitten, het nieuw gevormde virale RNA en het membraan van de gastheercel vormen nieuwe virusdeeltjes, die zich vervolgens in het lichaam verspreiden. Het rabiësvirus is neurotroop: dat betekent dat het virus vanaf de plaats waar het het lichaam is binnengedrongen, langs de zenuwbanen naar het centrale zenuwstelsel verspreidt en vervolgens ook andere organen infecteert.

De speekselklieren bij zoogdieren bevatten hoge concentraties van het virus, waardoor het virus zich tussen dieren – en mensen – via het speeksel en/of een bijtwond gemakkelijk kan verspreiden. Daarnaast kan het virus zich verspreiden via bloed-bloedcontact of via het verkrijgen van een geïnfecteerd donororgaan. Er is na de besmetting een incubatietijd waarvan de lengte vooral afhangt van de plaats waar men gebeten wordt: hoe verder van de hersenen, hoe langer de incubatietijd. In deze tijd reist het virus langs de zenuwbanen omhoog naar het centraal zenuwstelsel. De incubatietijd kan van 2 weken tot vele maanden of zelfs jaren bedragen.
Deze incubatietijd kan worden benut om het slachtoffer alsnog te beschermen door passieve en actieve immunisatie: er worden antilichamen en een rabiësvaccin toegediend in een aantal sessies. Hiermee lukt het vrijwel altijd om het uitbreken van de ziekte te voorkomen.

In Nederland is in 2007 en 2013 een geval van menselijke hondsdolheid vastgesteld. Wereldwijd leidt infectie met het rabiësvirus tot 40.000-70.000 doden per jaar, voornamelijk in Azië (vooral in India, Vietnam en Thailand) en Afrika. Circa 10.000.000 mensen moeten per jaar wereldwijd profylactisch behandeld worden na een beet door een (potentieel) geïnfecteerd dier.

Het virus overleeft in verschillende dierlijke reservoirs. Het is aanwezig in de dierpopulatie van vrijwel elk land in de wereld, behalve Australië en Nieuw-Zeeland. Echter, in Australië is een verwant virus, het Australian bat lyssavirus (ABLV), aanwezig in de inheemse populatie vleermuizen. In sommige landen, waaronder West-Europese landen, zou rabiës alleen heersen in de vleermuispopulaties. In Azië, delen van Amerika en Afrika zijn honden wel de voornaamste gastheer van het virus, maar het virus komt daar ook voor in vleermuizen, wasberen, stinkdieren en vossen. Echter is verplichte vaccinatie van de dieren in landelijke gebieden minder effectief; in ontwikkelingslanden wordt vaak niet gevaccineerd en mogen de dieren veelal niet (preventief) worden afgemaakt. Orale vaccinaties kunnen veilig via aas worden verspreid, wat wel wordt gedaan in landelijke gebieden van Canada, Frankrijk en Amerika. Speciale vaccinatiecampagnes kunnen vrij duur zijn, maar deze kosten wegen wel op tegen de baten van het in de hand houden van deze levensgevaarlijke ziekte.

Rabiës wereldwijd