Rabiës kan voorkomen bij vele zoogdieren, waaronder honden, katten, vossen, wasberen, koeien, paarden en vleermuizen. In Nederland komt het rabiësvirus (en een aan rabiës verwant virus) alleen voor bij sommige soorten vleermuizen. De met het rabiësvirus geïnfecteerde dieren zijn niet altijd goed te herkennen. Ze kunnen het virus bij zich dragen, zonder dat ze er verschijnselen van vertonen. Verdacht zijn dieren die onrustig en agressief zijn, of wilde dieren die ineens handtam zijn geworden, zoals een vleermuis die zich laat vangen.

Hond met rabiësHet virus bevindt zich voornamelijk in het speeksel van besmette dieren en kan worden overgedragen via bijten, krabben of likken. Via de zenuwen bereikt het virus de hersenen, waar het zorgt voor de kenmerkende gedragsveranderingen. Honden en katten reageren meestal plotseling of zonder enige aanleiding agressief, koeien en schapen zullen zich afzonderen van de kudde. Dieren die normaal wild en schuw zijn, zoals vossen en vleermuizen, kunnen handtam lijken en zich door de mens laten benaderen of zelfs vangen.

Op basis van de klinische verschijnselen kan rabiës in twee typen ingedeeld worden: rabiës furiosa en rabiës paralytica. Bij de eerste vorm zijn de dieren rusteloos, agressief, vijandig en bijterig. Ze hebben een verhoogde speekselproductie, kunnen seksueel opgewonden raken, vocaliseren luid, waarna ze verlamd raken en zullen sterven. Symptomen van rabiës paralytica zijn het doorzakken en zwaaien van de achterbenen/staart, waarbij de staart naar één zijde getrokken kan worden en de anus verlamd raakt. De dieren zijn schuw, kwijlen meer dan normaal en weigeren het eten van voedsel. Uiteindelijk raken ze verlamd, vallen om en zullen sterven.

Rabiës bij de mens
Mens met rabiësAfhankelijk van waar in het lichaam het virus is binnengetreden, uiten de ziekteverschijnselen zich na enkele dagen tot maanden of zelfs jaren later. Net als bij dieren kan hondsdolheid bij de mens zich uiten in een ‘furieuze vorm’ (rabiës furiosa), met krampen en overactief zijn, of in een ‘paralytische vorm’ (rabiës paralytica), waarbij een verergerende verlamming optreedt. In het begin van de ziekte treden weinig specifieke symptomen op zoals koorts, verminderde eetlust, misselijkheid, braken en hoofdpijn. Pas op een later moment treden de zenuwverschijnselen op, als krampen of verlammingen, nekstijfheid, hyperactiviteit en stuiptrekkingen. De patiënt kan overgevoelig raken voor licht en geluiden. Bij ongeveer de helft van de mensen treden spasmen op van de slikspieren en halsspieren, wanneer water of speeksel weggeslikt moet worden. Er ontwikkelt zich een angst voor water. Samen met een verhoogde speekselvloed leidt dat tot schuimvorming op de mond. In een verder stadium treedt coma op, leidend tot de dood door ademhalingsstilstand en hartproblemen.